Af en toe moet je even stilstaan bij wat je hebt. En laat ik nou heel veel hebben!
Een lieve familie en bijbehorende goede jeugd, een geweldige vriend, leuke vrienden, een goede baan met prettig salaris, een mooi huis, gezondheid, veel hobbies, en tot slot sinds kort ook een lieve poes. Wat kan ik nou nog meer wensen?
Het klinkt misschien stom, maar een kat was eigenlijk mijn enige grote wens die nog niet vervuld was. Ik ben niet iemand die grote dromen heeft voor de toekomst, zoals een wereldreis maken, rijk worden, of tot goeroe in mijn vakgebied benoemd worden. Ik heb geen idee wat ik over vijf jaar wil doen. Ik hoef geen carrière te maken, zolang ik het maar leuk vind wat ik straks doe en er een salaris mee verdien waarmee ik mijn huidige levensstandaard op peil kan houden.
Alleen die kat dus. Vroeger, toen Lenny een nog kleinere Lenny was, hadden we een kat thuis. Een zwarte, met wit befje, genaamd Oscar. Ik was helemaal gek op het beest. Maar na diverse testen bleek mijn zusje er allergisch voor te zijn. Aangezien Oscar al 15 jaar oud was, besloten mijn ouders om hem in te laten slapen in plaats van hem in een asiel te stoppen. En toen hebben ze voor mijn gevoel de enige echte grote fout in mijn opvoeding gemaakt: ze hebben het me niet verteld.
Dagenlang heb ik gezocht en geroepen naar Oscar, wiens voerbakje vanwege mijn zusje inmiddels al naar buiten was verplaatst. Mijn ouders zeiden steeds maar dat hij waarschijnlijk ergens in de tuin van de buren was.
Totdat mijn zusje het niet meer kon aanzien en ze, kleine hummel als ze toen was, mij maar vertelde dat hij dood was.
Ik ben naar mijn moeder gerend en heb heel, heel hard gehuild. Ik krijg nu nog tranen in mijn ogen bij de herinnering eraan. Want ik heb nooit afscheid van Oscar kunnen nemen.
Mijn ouders zeiden dat ik later, als ik op mezelf woonde, wel weer een kat zou kunnen nemen. En ik heb me altijd vastgeklampt aan dat idee. Maar goed, de eerste zeven jaar van mijn opmezelfwoonperiode zat ik op vijf hoog op een studentenkamertje van krap 16 vierkante meter. Toen ik later bij Mark introk, woonden we midden in het centrum, zodat een eventuele kat niet naar buiten zou kunnen, terwijl ze ook niet continu binnen kon blijven: beiden een full-time baan, dus weinig thuis, in combinatie met een open verbinding naar buurman’s bovenverdieping, werkt in dat geval niet.
Maar nu we eindelijk een rustig gelegen huis hebben, waar een kattenluikje in de deur kan, is het dan toch gelukt.
Gek eigenlijk, hoeveel rust zo’n poezebeest kan meebrengen. Het is heerlijk om ‘s avonds op de bank te zitten met Zulay op schoot. Niet alleen straalt haar rust op jou over, maar je wil haar ook niet van je schoot mieteren zodat je Nuttige Dingen kunt gaan doen. Dus blijf je maar gewoon op de bank zitten. En eigenlijk voel ik me dan heel erg gelukkig.
We weten het schat, nogmaals sorry, sorry!
Maar wat moest je als ouders vertellen aan dat kindje dat zoveel van de kat hield.( wij hebben hem vermoord want jouw zusje wordt er ziek van ?)Wij namen een beslissing over leven of dood en daar kun je niet trots op zijn.
Gelukkig heb je nu je katje, een stukje schuldgevoel is nu weg.
Ik begrijp helemaal dat dat een moeilijke mededeling was hoor. En ik heb het jullie al lang vergeven
*hele dikke knuffel van je dochter*