Omen 10 – oftewel: Aimée wordt mens

Dit soort momenten haat ik. Het wachten. Wachten op alle verschrikkingen die zullen gaan komen. Zonder in staat te zijn om het te voorkomen. Het enige dat ik kan doen is zorgen dat ik voorbereid ben. En hopen op het beste.

Ik kijk rond over het veld, waar het duister inmiddels is gevallen. Het ziet er naar uit dat het gaat regenen. Ook dat nog.

Voor me worden de laatste voorbereidingen getroffen voor het ritueel. Waarom beginnen ze niet? Hoe eerder we klaar zijn, hoe minder kans dat Benjamin en zijn gevolg ondoden het komen verstieren. Als ze nou eens wat meer zouden opschieten… Stel dat het ritueel succesvol is, dan komen de ondoden wellicht niet eens opdagen! Dan kunnen we gewoon onze boel inpakken en naar huis gaan, zonder slag te hoeven leveren!

Even voel ik een flinke scheut hoop door mijn lichaam vloeien. Dan kijk ik naar de grond. Natuurlijk niet. Natuurlijk komen we niet zo makkelijk weg. Als het verleden enige indicatie is, dan heeft Benjamin een briljant gevoel voor timing. Waarschijnlijk is hij al lang in de buurt, spiedend, wachtend tot we beginnen, om precies dan ons verzet te breken. Om het laatste sprankje hoop op overwinning, de grond in te boren.

Achter me scharrelen wat genezers zenuwachtig in het rond. Ik zie Dion, en vraag me ernstig af of hij wel is opgewassen tegen de taak van coördinator. Na amper een dag training kan het bijna alleen maar mis gaan. Maar ik heb geen keuze; Sairahiniel is vertrokken en ik moet iemand hebben die de gewonden prioriteert. Dat kan ik er echt niet bij hebben als ik ook nog moet opereren.

Ik herinner me de eerdere veldslagen. Het bloed, het zweet, de open botbreuken. Maar nog erger, de kreten van de gewonden. Overal. Continu. En ze blijven maar komen. Genezers die uitgeput om me heen op de grond vallen, terwijl er wederom een bewusteloze paladijn door zijn strijdkameraden binnengedragen wordt. Bijna dood – hij moet NU geholpen worden. Net als de drie anderen die een seconde later de genezerspost in worden gesleept.

Ik word er moedeloos van. Al eerder gingen we bijna ten onder. Ik moet er niet aan denken wat ons nu te wachten staat. Benjamin weet heel goed wat de gevolgen zijn van ons slagen. Die komt dus ongetwijfeld met het grootste leger tot nu toe aanzetten.

Rechts van me klinkt opeens een hoog kreetje van het meisje van de familie Eventyr: “Oh, er zit een gat in m’n rok!”.
Ik voel de drang opkomen om haar te slaan. Houd toch je mond, stom wicht! Er zijn nu wel belangrijker dingen dan dat gat in je rok!

Wacht even, dacht ik dat?

En ineens realiseer ik me dat ik veranderd ben. Amper een paar maanden geleden zou ík degene zijn geweest die zo’n opmerking zou hebben gemaakt! Ik, jonkvrouwe Aimée, niet in staat om mijn eigen belang ondergeschikt te vinden aan het belang van de groep! Wat is er gebeurd dat dit met me heeft gedaan?

Flarden van gedachten beginnen ineens bij me op te borrelen. Ik kan er niets aan doen, ze blijven komen en trekken als een film langs m’n ogen.

Ik zie mezelf in het hof van het kasteel van Oom Jan. Woedend. Omdat ik weer eens naar buiten ben gestuurd omdat ik alleen maar in de weg loop. Stampvoetend stuif ik naar mijn moeder, die ook geen tijd voor me heeft en me maant om haar met rust te laten.

Dan zie ik me voor mijn oom staan. Hoor hem vragen, nee, bijna bevelen, om op reis te gaan om nieuwe landgoederen te onderzoeken en beoordelen. Ik kijk bijna ongelovig: ik? Mag ik eindelijk iets nuttigs doen?

De volgende herinnering doet me fronsen. De eerste ongemakken onderweg. De realisatie dat deze reis helemaal geen pretje gaat worden. En dan… de start van de ondodenoorlog. De bevelen van mijn oom en de keizer om vooral niet naar huis terug te keren, omdat ik daar in de buitenste regionen van het rijk veiliger ben dan thuis.

Dan volgen de herinneringen elkaar steeds sneller op. De zware, uitputtende reizen, waarbij we weken lang moeten lopen zonder fatsoenlijk onderdak tijdens de nachten. De ruzies. De frustraties omdat ik van niemand het gepaste respect krijg. De aankomst van mijn nichtje Madeleine. Kapitein Francis, mijn zogenaamde beschermer, die me probeert te vermoorden door een mes in mijn buik te steken. De overhaaste vlucht uit het dorp, waarbij mijn spullen op het laatste nippertje nog op een kar meegenomen kunnen worden. De schaamte die ik voel, wanneer mijn… probleempje aan het licht komt. En bovenal, de woedende blik van Reinard, die na al die jaren meegaandheid schijnt te exploderen en me flink de les leest. Dat het zo niet meer kan. Dat ik er écht alleen voor sta als ik zo door ga.

Ik huiver. Hij meende het, vanuit de grond van zijn hart.

Ik moet er niet aan denken om in mijn eentje over te blijven. Ik moet me aanpassen, hoe vreselijk ik het hier ook vind. Oh, hoe erg verlang ik naar mijn grote, zachte bed in het kasteel. Het heerlijk geurende vijfgangendiner dat door de bedienden op tafel wordt gezet, met als klapstuk een compleet zwijn dat druipt van het vet. Het rozige, verdovende gevoel dat de scheutig rondgedeelde rode wijn achterlaat in mijn hoofd, zodat ik de problemen van alledag even kan vergeten.

Maar ik weet maar al te goed dat het er niet in zit. Niet binnen afzienbare tijd, maar ook niet binnen enkele jaren. Stel dát het ritueel lukt – dan zijn er nog jaren nodig voordat de wederopbouw is afgerond. Sterker nog, met een beetje pech duurt het zeker een jaar voordat ik überhaupt weer thuis ben.

Eigenlijk wil ik er niet eens aan denken hoe het er nu thuis uitziet, nadat een heel ondodenleger over ons landgoed is getrokken.

Ik moet hulp hebben, ik kan dit niet alleen. Reinard praat nauwelijks nog met me. Mijn oom zit ver weg in Torquil en de berichten over de belegering van de hoofdstad zijn dusdanig ontmoedigend, dat ik maar weinig hoop heb op een goede afloop. Met de liefde is het niets geworden. Sterker nog, dat heeft alleen maar problemen veroorzaakt.

Het is tijd om aan de toekomst te gaan denken. Tijd om de verstandige keuzes te gaan maken. Ik kan niet meer streven naar wat ik het allerliefste wil – een leven vol luxe en iemand die van me houdt. Ik moet realistisch zijn. In deze omstandigheden is een landgoed met kasteel in wederopbouw al een luxe. En een man aan mijn zijde die de boel kan coördineren. Liefde is te veel gevraagd; met een sterke en vermogende echtgenoot mag ik blij zijn.

En die zal ik vinden. Ik zal concessies doen. Omdat het moet. Omdat het niet anders kan. Maar ooit… zal ik weer gelukkig zijn.

6 comments

  1. Suus says:

    Mooi stuk Lenny! Ik vind de nieuwe Aimeé zeker een verrijking en geen afbreuk aan het character, waar je eerst bang voor was! We gaan gewoon in het keizerrijk een mooi wit disneykasteel voor je bouwen hoor, hertogin van Amstel. Geen zorgen.

  2. Kenshin says:

    Ik vind het juist ook een mooie wending. Is dat niet een plot van heel veel films, dat een personage als ‘bitch’ begint, en gaandeweg ontdooit en daar heel veel sympathie van de kijkers mee oogst?

    Zo’n plotboog kun je niet maken als je één of twee evenementjes gemeen gaat lopen doen, en daarna bijdraait. _Juist_ met zo’n lang lopend karakter als Aimée kun je zoiets mooi neerzetten, dan dóet het ook echt wat.

  3. Kenshin says:

    P.S. Voor mij is het ook wel handig, dan heeft mijn personage als Aimée’s lijfwacht het niet zo waar te verduren ;p

  4. Lenny says:

    Dankjulliewel, dat is fijn om te horen! In tegenstelling tot de vorige keer voelde ik me ook veel lekkerder in mijn rol zitten. Ik denk inderdaad dat ik nu een goede middenweg heb gevonden.

  5. Linda says:

    Het maakt ook dat Aimee toegankelijker word voor anderen.
    Een evenement of 4 a 5 geleden zou geen haar op mijn hoofd eraan gedacht hebben om haar te vragen voor lessen in geneeskunde. Of oprecht geinteresseerd vragen naar wat haar afspraakje in hield en haar veel plezier wensen. :)

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.